Hoe werkt ons geldsysteem écht?
Geld is niet altijd geweest wat het nu is. Duizenden jaren geleden ruilden mensen direct met elkaar: een kip voor graan, werk voor eten. Maar dat was onhandig. Wat als je een koe wilt verkopen maar alleen brood nodig hebt?
Daarom begonnen mensen waardevolle spullen te gebruiken als tussenstation: schelpen, zout, kralen. Later ontdekten ze metalen zoals goud en zilver. Deze waren zeldzaam, deelbaar, en iedereen wilde ze wel hebben.
Goud werd het standaard geld. Maar goud is zwaar en moeilijk te vervoeren. Dus gingen banken certificaten uitgeven: "Deze bon is goed voor 10 gram goud in onze kluis." Dat waren de eerste bankbiljetten.
In de 20e eeuw werd de link met goud steeds zwakker. In 1971 maakte Amerika een einde aan de goudstandaard. Vanaf dat moment was geld niet meer gekoppeld aan iets schaars. Het werd simpelweg: "Dit briefje is geld omdat de overheid zegt dat het geld is."
Geld moet makkelijk zijn om mee te handelen. Je moet ermee kunnen betalen zonder elke keer te onderhandelen. Daarom werken koeien slecht als geld (probeer maar eens koffie te kopen met een kwart koe), maar munten wel.
Prijzen moeten uitgedrukt kunnen worden in geld. Als een brood €2 kost en een fiets €200, dan begrijp je meteen dat een fiets 100 broden waard is. Geld geeft ons een universele manier om waarde te meten.
Dit is waar het interessant wordt. Geld moet zijn waarde behouden over tijd. Als je vandaag €100 verdient, wil je dat het volgende maand nog steeds €100 waard is. Maar dat is precies waar ons huidige systeem faalt.
Van deze drie functies is "opslag van waarde" de meest belangrijke voor lange termijn. Zonder goede opslag van waarde, werkt geld niet echt.
Centrale banken (zoals de Europese Centrale Bank) kunnen geld "bijmaken" door het digitaal te creëren. Ze drukken niet fysiek biljetten - het is gewoon een getal in een computer dat omhoog gaat.
Met goede bedoelingen: economie stimuleren, werkloosheid bestrijden, schulden afbetalen. Maar er is een bijeffect.
Nieuw geld komt niet bij iedereen tegelijk. Het komt eerst bij banken, grote bedrijven, en overheden. Pas later sijpelt het door naar gewone mensen. Tegen die tijd zijn de prijzen al gestegen.
Voorbeeld:
De ECB maakt €1 biljoen bij. Banken krijgen dit geld eerst en kopen er vastgoed mee. Huizenprijzen stijgen. Jij krijgt pas later een loonsverhoging. Tegen die tijd zijn huizen onbetaalbaar geworden.
Je geld is niet minder geworden, maar wat je ermee kunt kopen wel.
Stel: je krijgt 1% rente op je spaarrekening. Klinkt goed? Maar als de inflatie 3% is, verlies je netto 2% koopkracht per jaar. Je spaargeld wordt langzaam minder waard.
Omdat sparen niet werkt, moet je "iets met je geld doen". Beleggen in aandelen, huizen kopen, crypto proberen. Maar niet iedereen wil of kan dat risico nemen.
€10.000 op de spaarrekening in 2000:
Stilzitten = achteruitgaan. Het systeem is ontworpen om sparen te ontmoedigen en uitgeven te stimuleren.
Wat staat er op je bankrekening? €5.000? Dat zijn niet jouw euro's. Dat is een belofte van de bank dat ze je €5.000 geven als je erom vraagt. Het is een IOU - "I Owe You".
Als een bank failliet gaat, ben jij een crediteur. In theorie wordt je geld gegarandeerd tot €100.000 (depositogarantiestelsel), maar in de praktijk kan het weken of maanden duren voordat je het terug krijgt.
De banken in Cyprus gingen bijna failliet. De oplossing? De overheid nam 47,5% van alle bankrekeningen boven €100.000 af. Zomaar. Mensen werden wakker en ontdekten dat hun spaargeld gehalveerd was.
Banken gingen failliet. ATMs werkten niet meer. Mensen konden niet bij hun geld. Zelfs nu, jaren later, krijgen veel mensen hun geld niet terug. Het was "hun geld", maar toch konden ze er niet bij.
Geld op de bank is geen eigendom. Het is een vordering. Een belofte. En beloftes kunnen gebroken worden.
Nu je begrijpt:
Dan ontstaat de vraag: kan het anders?
Kan digitaal geld bestaan dat:
Bitcoin is een poging om die vraag te beantwoorden.